Dinsdag 29 mei 2018. Aias op Ormos Salamis.

We zwemmen en ontbijten eerst en maken dan de buitenkant van de boot schoon. Er zitten op een paar plekken aan beide kanten zwarte vlekken. Dat komt van de stootwillen die tussen de boot en de kade zaten in Korinthe. Er was wat deining daar en een heel ruwe kadewand, waardoor de boot af en toe behoorlijk tegen de kade werd gedrukt. En door die ruwe wand werden de stootwillen steeds smeriger, ze hebben daardoor afgegeven op de witte bovenkant van de boot. We weten uit ervaring, dat als we dat lang laten zitten het er bijna niet meer af te krijgen is. De vlekken zitten o.a. precies bij een zonnepaneel aan de zijkant, zodat we niet over de rand kunnen hangen en van bovenaf kunnen poetsen. En op sommige plaatsen zit het te diep. Frans gaat in de bijboot met alle poetsmiddelen en ik bind het bootje aan de zijkant met 2 lijnen vast. Af en toe moeten we een stukje verder, maar het gaat prima zo, het ziet er beter uit. Nu Frans de buitenkant van de boot van heel dichtbij ziet, valt het hem weer op dat er zoveel zoutkristallen op zitten. Maar het heeft geen enkele zin ook dat er af te halen, want morgen is het na een half uur varen weer zo. Als wij na het zwemmen ons niet goed afspoelen hebben we ook zoutkristallen op onze huid. Het water is hier enorm zout, veel erger dan wij gewend zijn bij de Noordzee.

Ik ga naar de wal om een paar boodschappen te doen en loop langs de tuin van de meneer, die mij de vorige keer op zijn brommer naar de winkel bracht. Ik hoopte hem te zien om hem met een klein presentje te bedanken. Er komt wel net een auto uit de garage zo’n 5 meter voor het tuinhek, maar het is niet mijn brommer-chauffeur. Helaas zie ik niemand bij het huis en in de tuin en het hek is op slot. Ik gooi mijn pakje door het hek en loop verder. De auto stopt naast me en meneer vraagt of ik mee wil naar het dorp. Maar ik hoef alleen maar naar de kleine supermarkt. Ik stap toch in en het wordt een vreemde conversatie, want hij spreekt Grieks en ik probeer het in het Engels, maar ik had net zo goed Nederlands kunnen praten, want we begrijpen elkaar totaal niet. Ik begrijp wel dat hij me vraagt op welk adres ik logeer, maar ik moet mijn visitekaartje met bootfoto laten zien om uit te leggen dat we niet in een huis wonen. Hij zet me keurig voor de supermarkt af.

Als ik aan het afrekenen ben komt er een andere klant binnen, die Engels spreekt en direct zegt, dat we beter in het Nederlands over kunnen schakelen. Hij rekent zijn boodschappen ook af en we staan nog even buiten te praten. Hij woont een paar weken in het huis van een vriend en wil hier graag zelf ook iets kopen, hij vindt het hier fantastisch. Ik sla zijn aanbod om mee te rijden af, want hij woont in een andere dorp aan de volgende baai. Maar als hij langs komt rijden, zegt hij dat ik toch echt in moet stappen en dat hij wel even omrijdt. Geweldig natuurlijk, alleen ging ik om even een wandeling te hebben, en nu heb ik nog geen 500 meter gelopen.